NederlandseEngelsedeutsch

Trouw, 2 februari 2008

Bewustzijn is zonder begin en kent geen einde


Twintig jaar onderzoek naar bijna-dood ervaringen hebben cardioloog Pim van Lommel ervan overtuigd dat ons bewustzijn niet in onze hersenen huist. Bewustzijn bestaat volgens hem buiten tijd en plaats en kent einde noch begin.

Bij de Baarnse boekhandel Den Boer was afgelopen zaterdag geen exemplaar van Eindeloos bewustzijn meer te krijgen. “Ik weet niet wat het is met dat boek”, zegt een verkoopster, “maar het vliegt de winkel uit.”

In twee maanden tijd verschenen er zeven drukken (42.500 boeken) van Pim van Lommels boek over de bijna-dood ervaring; de achtste druk is in voorbereiding. En mensen kopen zijn boek niet alleen, ze lézen het ook. De gepensioneerde cardioloog krijgt veel verzoeken voor lezingen. “Tot eind van het jaar ben ik al volgeboekt.”

Van Lommel neemt thuis de e-mailoogst van deze morgen door. Ook veel predikanten reageren. “Hier weer een: ’Uw boek legt een vloertje onder mijn geloofsvertrouwen’.”

Volgens Van Lommel overheerst ’dankbaarheid’ omdat hij het fenomeen van de bijna-dood ervaring (BDE) ’bespreekbaar, aannemelijk en begrijpelijk’ maakt. “Mensen voelen zich getroost en serieus genomen. Mijn boek neemt een drempel weg om erover te durven praten. Een arts schreef me, dat hij altijd had gedacht dat zulke ervaringen niet bestonden, tot het hem zelf overkwam.”

In 1969 komt beginnend cardioloog Van Lommel voor het eerst in aanraking met een BDE. Na een succesvolle reanimatie van een patiënt met een hartstilstand, haalt de verpleging opgelucht adem; destijds overleefden de meeste mensen zoiets niet. Maar de patiënt is teleurgesteld. Geëmotioneerd vertelt die over een tunnel, over kleuren, licht, een prachtig landschap en muziek.

Van Lommel had nog nooit gehoord dat mensen herinneringen konden hebben aan de periode van hun hartstilstand. “In mijn opleiding had ik geleerd dat bewustzijn voortkomt uit onze hersenen. Maar hoe was het dan mogelijk dat deze patiënt tijdens een hartstilstand, dus op een moment dat alle hersenfuncties waren uitgevallen, bewustzijn had ervaren?”

Van Lommel liet het gebeuren rusten, totdat hij in 1986 ’Terugkeer uit de dood’ las, van George Ritchie. In 1943 had de medisch student Ritchie een dubbele longontsteking. Hij kreeg hoge koortsen en op enig moment ademde hij niet meer en viel zijn polsslag weg. Een arts verklaarde hem dood, maar een verpleger wist de arts over te halen Ritchie een adrenaline-injectie te geven, vlakbij het hart. Na negen minuten klinisch dood te zijn geweest, kwam Ritchie weer bij. Tijdens zijn bewusteloosheid bleek hij een zeer uitgebreide ervaring te hebben gehad.
Later sprak hij er, als psychiater, ook met zijn studenten over. Een van hen was Raymond Moody die, geïntrigeerd geraakt, het verschijnsel ging onderzoeken. Diens boek ’Leven na dit leven’ (1975) werd een wereldwijde bestseller. Moody muntte tevens het begrip Near-Death Experience, dat in het Nederlands is vertaald als bijna-dood ervaring.

Na het lezen van Ritchie liet de vraag hoe iemand bewustzijn kan ervaren tijdens een hartstilstand Van Lommel niet meer los. Hij begon in ziekenhuizen met een groep vrijwilligers, zonder subsidie, een eigen onderzoek. De resultaten verschenen in 2001 in medisch tijdschrift The Lancet.

Van de 344 patiënten die tussen 1988 en 1992 aan het onderzoek deelnamen, bleken er 62 (18 procent) herinneringen te hebben aan de periode van hun hartstilstand.
“Waarom sommigen wel een BDE krijgen en veel anderen niet, is niet bekend”, zegt Van Lommel, “en is ook niet af te leiden uit de tot dan toe genoemde verklaringen voor een BDE, zoals zuurstoftekort, doodsangst, bijwerking van medicijnen of religieuze achtergrond. Beide groepen, die met en die zonder BDE, verschilden in deze opzichten niet significant van elkaar.”

Kort na hun reanimatie werden de patiënten geïnterviewd. Van Lommel: “Ze zijn bewusteloos, hun ademhaling is gestopt en hun EEG is vlak, wat betekent dat hun hersenactiviteit is weggevallen. Toch ervaren zij, zo blijkt uit hun verhalen, wel degelijk bewustzijn, en wel een bewustzijn dat oneindig veel helderder is en waaraan zij meer herinneringen hebben dan ooit tevoren.”

Niet iedereen maakt hetzelfde mee en niet iedere BDE bevat alle mogelijke elementen van zo’n ervaring. Een vrij algemeen kenmerk van een BDE is volgens Van Lommel dat tijd en afstand wegvallen. “Afgaande op hun verslagen verkeren mensen met een BDE in een ruimte waar verleden, heden en toekomst gelijktijdig aanwezig zijn en waar alles met alles samenhangt. Ze krijgen de helderste inzichten, begrijpen alles en zien verbanden die ze nooit eerder zagen. Positieve emoties overheersen en velen beseffen dat zij dood zijn, totdat ze merken dat ze terug moeten naar hun lichaam.
Over een hartstilstand van twee minuten kunnen mensen wel een week praten. Als ze er al over praten, want vaak zijn ze zo overweldigd door wat ze hebben ervaren en tegelijk ook bang niet serieus te worden genomen, dat ze er maar liever het zwijgen toe doen.”

Na twee jaar en na acht jaar werden de deelnemers aan Van Lommels onderzoek opnieuw geïnterviewd. Uit die gesprekken bleek dat na een BDE het leven van mensen vaak ingrijpend verandert. Meestal is hun angst voor de dood verdwenen en kijken ze anders tegen de zin van het leven aan, met meer oog voor het immateriële en minder belangstelling voor status en bezit. “Een BDE is een echte inzichtervaring”, zegt Van Lommel. “Mensen kunnen daardoor zo veranderen dat ze in de ogen van hun partner een vreemde zijn geworden, met soms een echtscheiding als gevolg.”

Van Lommel vindt het van groot belang dat werkers in de gezondheidszorg kennisnemen van het bestaan en de implicaties van BDE’s. “Hoe ga je met stervenden om, met sterfbedvisioenen, met comapatiënten, hoe reageer je op de verhalen over een BDE en hoe vang je de partner op van iemand met een BDE? Hoe ga je als arts om met postmortale ervaringen? Vijftig procent van de mensen die een partner verliezen hebben na diens overlijden het gevoel contact te hebben of zelfs de overledene te zien. Bij de dood van een kind heeft zelfs 75 procent van de ouders zo’n ervaring.”

Wat gebeurt er nu eigenlijk wanneer iemand een dergelijke buitengewone bewustzijnservaring heeft? Van Lommel: “Het gros van de westerse wetenschappers die zich bezighouden met bewustzijnsonderzoek gaat er nog altijd vanuit dat ons bewustzijn wordt geproduceerd door de materie van onze hersenen. Dat past in het westerse wetenschapsparadigma dat zich bezighoudt met fysiek waarneembare gegevens.
Maar als het om bewustzijn gaat, kom je daarmee niet ver. Hersenactiviteit kunnen we meten, maar wat we niet kunnen meten is wat mensen denken en voelen, met andere woorden de inhoud van het bewustzijn. Dat iemand verliefd is, van Bach houdt of geniale gedachten heeft, is wetenschappelijk niet te bewijzen, omdat het niet gaat om fysiek waarneembare gegevens.”

Van Lommel gaat er overigens wel van uit dat onze hersenen een belangrijke rol spelen. “Ze kunnen geen bewustzijn produceren maar maken wel het ervaren van ons waakbewustzijn mogelijk. Ik vergelijk hersenen wel met een radio: je kunt er zenders mee ontvangen maar de radio bepaalt niet de inhoud van het programma.” Als de radio uitstaat, kan je sowieso geen programma ontvangen. Hoe ervaren mensen dan toch een uitzonderlijk helder en inzichtgevend bewustzijn, terwijl de transmitter – hun hersenen – tijdens een hartstilstand of coma geen enkele activiteit vertoont?

Deze ongerijmdheid heeft Van Lommel na twintig jaar onderzoek naar de conclusie geleid dat ons bewustzijn onmogelijk een biologische basis kan hebben.
Bewustzijnsonderzoek vraagt daarom volgens hem om nieuwe concepten, die afwijken van het ’materialistische wetenschapsparadigma’. Van Lommel waagt zich daaraan. “Ik kan het niet aantonen of meten in de fysieke wereld, maar ik acht het aannemelijk dat het volledige en oneindige bewustzijn overal aanwezig is in een niet aan tijd en plaats gebonden ruimte, waar verleden, heden en toekomst tegelijk toegankelijk zijn.”

Onze hersenen en ons lichaam functioneren in zijn concept slechts als een opvangstation om een gedeelte van ons totale bewustzijn en een deel van onze herinneringen in ons waakbewustzijn te ontvangen. In bijzondere omstandigheden, zoals tijdens een BDE, hebben we toegang tot het volledige, eindeloze bewustzijn.
Zo’n volledig, extern bewustzijn móet er wel zijn, denkt Van Lommel. “Als je bedenkt dat onze hersenen een beperkte informatiecapaciteit hebben en dat de cellen van ons lichaam, inclusief onze hersenen, voortdurend worden vernieuwd, hoe is het dan mogelijk om al onze herinneringen met de bijbehorende gedachten en emoties op te slaan en die informatie ook weer terug te kunnen vinden?”

Ook in de kwantumfysica, die is ontstaan omdat bepaalde bevindingen niet met de klassieke fysica konden worden verklaard, vindt Van Lommel steun voor zijn ideeën over de ’non-lokaliteit van bewustzijn’. Maar lang niet iedereen aanvaardt de principes van de kwantumfysica, en Van Lommels inzichten worden soms zelfs naar de rubriek prut- of pseudo-wetenschap verwezen. Hij ligt er niet wakker van, al vindt hij het onaardig, respectloos, dogmatisch en gemakzuchtig. “Die weerstand komt voort uit de onwil van wetenschappers om hun bestaande materialistische paradigma ter discussie te stellen. Loslaten van oude concepten is nu eenmaal het moeilijkste wat er is. Abnormale bevindingen zoals de BDE worden niet onderzocht, maar verzwegen, verdraaid, als dwaling verworpen of belachelijk gemaakt. In de wetenschap is het niet zozeer belangrijk nieuwe feiten te ontdekken als wel nieuwe manieren te ontdekken om erover na te denken. Het totaal afwijzen van nieuwe ideeën heeft de wetenschap nog nooit verder gebracht. En voor alle mensen met een BDE heeft een open en wetenschappelijke belangstelling een duidelijk positief effect op het vaak moeizame en langdurige proces van acceptatie en integratie van hun ervaring. Dat helpt hen beter dan alles af te doen als hallucinatie of verzinsel.”

Door: Cokky van Limpt
In: Trouw, 2 februari 2008